De Staat van de Dans 2026: Tussen vrees & vrolijk
In een meerjarige samenwerking tussen de Nederlandse Dansdagen en Theaterkrant blikt een nieuwe editie van De Staat van de Dans jaarlijks terug op afgelopen seizoen.
Dansrecensenten Mina Etemad en Annette Embrechts maken de balans op. Ze signaleren een dansveld waarin grote maatschappelijke vragen steeds nadrukkelijker doorklinken: van culturele identiteit, migratie en koloniale geschiedenis tot schoonheidsidealen, inclusie, technologie en activisme.
Tegelijkertijd staat het veld zelf onder druk. Nieuwe en mid-career makers vinden maar moeilijk hun weg naar de grote zaal en vertrouwde namen blijven daar dominant. Toch overheerst uiteindelijk niet de somberte. Juist in tijden van onzekerheid laat dans zien wat beweging, ontmoeting en collectiviteit kunnen betekenen. Een Staat van de Dans tussen vrees en vrolijk: een pleidooi om in beweging te blijven.
Download de tekst als PDF
Het voelt ongemakkelijk een Staat van de Dans te schrijven, nu zo veel plekken in de wereld in nood verkeren. In relatie tot alle actualiteit voelt het futiel je te verdiepen in trends en thema’s die zich het afgelopen seizoen manifesteerden in het brede, diverse palet aan dansvoorstellingen op Nederlandse podia. En toch pakken wij, dansrecensenten van de Volkskrant, deze handschoen op, op verzoek van festival de Nederlandse Dansdagen en Theaterkrant.
Omdat de danskunst ons aan het hart ligt. Omdat dans een tegenwicht kan bieden aan doemscenario’s. Omdat dans altijd beweging betekent en een fysiek en vitaal medicijn kan zijn tegen mentale verstarring. En omdat we veel bijzondere, dappere pogingen zagen om niet in paniek te bevriezen maar gezamenlijk in beweging te komen. Daarom staan wij in deze Staat van de Dans stil bij trends en thema’s, gerelateerd aan voorstellingen en gebeurtenissen uit seizoen 2025-2026.
Groot en klein
Laten we positief en vrolijk beginnen. Met duizenden toeschouwers. Nee, tienduizenden. Wat heet: honderdduizenden! Een snelle rekensom leert: 57 optredens in 30 steden in 17 landen in grote arena’s met gemiddeld 17.000 toeschouwers: dat zijn 969.000 toeschouwers, voor drie oud-dansers van Nederlands Dans Theater! Bekijk beeld van een veel besproken concerttour: de bejubelde LUX World Tour (2026) van de Spaanse superster Rosalía. Zie het publiek ontploffen tijdens de live-uitzending van de Brit Awards 2026, wanneer het popfenomeen met strijkers, dansers en koorstemmen haar barokke Berghain inzet. Björk sluit ook aan. De teller op YouTube staat inmiddels op tachtig miljoen views.
Wie draaien om Rosalía heen en liften haar boven hun schouders? Luca-Andrea Lina Tessarini (34) en Donnie Duncan Jr. (31), jarenlang boegbeelden bij Nederlands Dans Theater (NDT). Ook voormalig NDT-danser Toon Lobach (28) is één van de tien LUX-dansers, die met Rosalía het podium delen in een choreografie van het hippe Franse trio (La)Horde. Ze werden laat gevraagd. Lobach zei er projecten voor af. Maar nu dansen ze in megagrote arena’s.
Het choreografenduo Marne (36) en Imre (37) van Opstal kan meepraten over immense aantallen toeschouwers voor hun werk. Zij waren eveneens gevraagd voor Rosalía’s tour, maar hadden geen tijd dit concert te choreograferen. Sinds 2025-2026 zijn ze associative choreographers bij NDT. In het voorjaar van 2025 tekenden ze voor de twee uur durende, avantgardistische show Eusexua van FKA Twigs. Muziekrecensenten schreven in superlatieven over de rave, country, vogue en paaldans, waarin het Britse popfenomeen zelf excelleerde. Popfestival Down the Rabbit Hole ging plat, Lowlands volgde. Iedereen was onder de indruk van alle choreografieën.
Het rijtje choreografen dat moeiteloos de muren slecht tussen (commerciële) pop(festivals), mode, film, design, beeldende kunst en moderne dans wordt steeds groter. Neem Damien Jalet (50), Sidi Larbi Cherkaoui (50) en Shay Latukolan (34). Ook Emma Evelein (33) timmert aan de weg; ze maakte de choreografie voor de songfestivalbijdrage C’est la vie (2025) van Claude Kiambe (22) en danste mee op dit miljoenen-podium. Recent heeft ze een groepswerk gemaakt voor het Britse, honderdjarige Rambert.
Breakdancers en hiphopchoreografen laveren al veel langer organisch tussen commerciële en gesubsidieerde circuits. Neem Redouan Ait Chitt (36), Timor Steffens (38), Juvat Westendorp (37) en Virgil Moreno (37), om enkelen te noemen. Zij hadden al een miljoenenpubliek voordat ze in de theaterzalen dansten. Ook de Maastrichtse Jennifer Romen (30), voorheen drievoudig wereld- en Europees kampioen hiphop, veroverde met haar Oxygen Nederland ná het internationale circuit. Romen, choreograaf, danseres, dansschool-eigenaar en bekend als jurylid in de televisieserie Project Dans (NTR), moest wel terugschakelen, onder meer door ernstige rug- en zenuwproblemen. Toch stoomde ze haar 18-jarige leerling Jaïra Joy Luhulima klaar voor de wereldtop tijdens danswedstrijden van de Red Bull Dance Your Style. De Maastrichtse Luhulima werd in 2025 inderdaad wereldkampioen streetdance. Weer iemand met een megapubliek.
ISH Dance Collective vierde in 2025 het 25-jarig bestaan - een kwart eeuw van spetterende voorstellingen, battles, demo’s, workshops. Oprichter en artistiek leider Marco Gerris werd bekroond met grote prijzen. Voor zijn bruisende voorstellingen, waarin hij de straatcultuur naar het podium brengt, won hij als eerste choreograaf van Nederland de prestigieuze Johannes Vermeerprijs, de hoogste Nederlandse staatsprijs voor de kunsten. Daarna volgde de Amsterdamse Andreaspenning. Belangrijke publieke erkenning voor de grote betekenis van hiphop en straatcultuur voor de Nederlandse podiumkunsten. ‘Nu hoor ik er echt bij’, grapte Gerris bij de uitreiking.
Bang en blij
Tegenover deze successen steekt het gebrek aan (nieuwe) stemmen en gesubsidieerde (moderne) dansvoorstellingen in de grote zaal van Nederlandse schouwburgen schril af. Theaters lijken huiverig minder bekende namen in de grote zaal te programmeren. Het zijn vooral vertrouwde gezelschappen zoals Introdans, Conny Janssen Danst, NITE, ISH, Nederlands Dans Theater, de Junior Company van Het Nationale Ballet, Scapino Ballet Rotterdam (onder nieuwe koers van Nanine Linning) en sinds een enkele jaren ook Zero Dance Theatre van Denden Karadeniz, die de schouwburgen bedienen met tournees. ICK Dans Amsterdam is weinig zichtbaar in de breedte van de Nederlandse theaters. Zelfstandig opererende mid-career-makers verkeren in kwetsbare posities; voor hen is het lastig de stap te maken van kleine- en middenzaal naar grote zaal. Dat maakt de staat van de dans in de grote zaal broos.
Daarnaast ging afgelopen seizoen veel energie verloren aan rechtszaken tussen makers/gezelschappen en Fonds Podiumkunsten, ook niet bevorderlijk voor het proces om door te groeien. Dat een energieke maatschappijkritische voorstelling als Asset, Liability & Equity van ARK/Connor Schumacher wel degelijk nieuw publiek naar de grote zaal kan trekken, bleek tijdens Julidans. Het onuitputtelijke Antropology van Andreas Hannes zou mogelijk ook zo’n vibe in de grote zaal kunnen veroorzaken. Deze makers weten online sub- en clubculturen als rave, gabber, vogue en jumping intensief met elkaar te verbinden. Zij geven het fenomeen van social dancing een krachtig nieuw gezicht. Dat bergt de belofte dat social dancing een spannende trend in de grote zaal kan worden.
Choreograaf Jan Martens (42) bewees met zijn wervelende XXL-versie (2025) van The Dog Days Are Over (2014) dat het kan: een succesvolle sprong naar de grote zaal. Zoals hij ook eigen en virtuoos debuteerde bij NDT met Kid in a Candy Shop (2026), door recensenten uitgeroepen tot beste dansvoorstelling van afgelopen seizoen. Martens is aan een solide, succesvolle, internationale opmars bezig. Daarbij behaalde hij een seizoen eerder een nominatie voor een Musical Award voor zijn debuut als musicalchoreograaf, voor het bejubelde Jesus Christ Superstar (2024) in regie van Ivo van Hove, weer een voorbeeld van een effectief uitstapje naar een commerciële productie. Martens veelgeprezen musicalchoreografie verwijst niet alleen naar blinde solidariteit onder volgelingen maar ook - hoe actueel - naar straatprotesten en volkswoede.
Impresariaat en producent SENF/Theaterpartner springt in het dansgat in de grote zaal met tournees voor Igone de Jongh (47), Vlad & Veronika (29,28), Oxygen en Isabelle Beernaert (52). En opvallend: choreograaf Ed Wubbe (69) maakt na zijn pensioen bij Scapino Ballet Rotterdam in het voorjaar 2027 op verzoek van SENF een grote-zaal-choreografie voor negen dansers, drie acrobaten en een stemkunstenaar. Aanleiding: het 75-jarig bestaan van De Efteling. De eerste aftrap vond eind augustus plaats in een attractie in Kaatsheuvel. De laatste keer dat De Efteling met moderne dans in verband werd gebracht was in 1996, toen een dansrecensent het spektakel van Notenkraker en Muizenkoning een Eftelingballet noemde. Dat sprookjesballet is overigens nog steeds een grote publiekslieveling.
Ook het Ukrainian International Ballet, ontstaan vanuit de Oekraïense gemeenschap in Den Haag, maakt dankzij SENF komend voorjaar een korte tour langs grote zalen, met deelname van een Oekraïense veteraan, die ledematen verloor tijdens een Russische aanslag. The United Ukrainian Ballet moest in 2024 noodgedwongen stoppen met het maken en toeren van voorstellingen, ondanks het belangrijke motto ‘you can’t kill the dance’.
Gelukkig haalde Het Nationale Ballet afgelopen voorjaar het indrukwekkende ballet Solitude op het repertoire, van de Oekraïens-Amerikaanse choreograaf Alexei Ratmansky (57, associate artist bij HNB), een ingetogen, intieme en oprechte rouwdans zonder effectbejag, als emotionele reflectie op het oorlogsleed in Oekraïne. Ontroerend wat dans kan doen, om namen van slachtoffers zachtjes in ballet te beitelen en de onbeschrijfelijke gedachten van rouwende mensen in beweging te vangen.
Schoonheidsideaal en body horror
Qua inhoudelijke thema’s viel het afgelopen seizoen op hoezeer vrouwenlichamen en schoonheidsidealen een confronterende, interessante rol in voorstellingen spelen. Onderwerpen die mede door de geruchtmakende film The Substance (2024) prominenter op de kaart zijn gezet. Filmregisseur Coralie Fargeat verbindt op angstaanjagende wijze body horror aan vrouwelijke schoonheidsnormen. Hoofdpersoon Elisabeth Sparkle verliest met het zichtbaar ouder worden haar sociale status en succes. Ze doet er alles aan zo jong en mooi mogelijk te blijven, zelfs wanneer dat gepaard gaat met een monsterlijke lelijkheid die haar lichaam verminkt.
In de film zien we bloed, lichaamssappen, verwrongen ledematen, onsmakelijke huidplooien, etterende wonden en afstotelijke transformaties. Pijnlijke beelden: je voelt de mutilaties en misvormingen in je eigen lichaam en schrikt van het geweld dat we onszelf onder de noemer van ‘schoonheid’ aandoen. Wie aan zichzelf sleutelt, kan geconfronteerd worden met een monsterlijke versie van zichzelf, zo toont Fargeat.
Andere kunstenaars reflecteren op vergelijkbare manier op schoonheidsidealen: ze vergroten de normatieve keurslijven voor vrouwen uit om te tonen hoe onnatuurlijk en schadelijk die kunnen zijn.
In de performancekunst maakten bijvoorbeeld BVDS (Boogaerdt/VanderSchoot, 52/53) en Naomi Velissariou (42) afgelopen seizoen horror van vergankelijkheid in respectievelijk Piss Pool (2025) en Sexodus (2026), voorstellingen waarin terrein wordt teruggewonnen op de hardnekkige mythe van de eeuwige jeugd en bijbehorende verjongingscultuur.
In de dans lag de nadruk op het lichamelijke, soms gepaard gaand met ‘rondvliegende ledematen of organen’. Denk aan het indrukwekkende Waxes (2026) van choreografenduo Sarah Baltzinger & Isaiah Wilson, onderdeel van Origin: The Future is Feminine door Scapino Ballet Rotterdam. Zeven vrouwelijke performers droegen siliconen pakken van naakte bovenlijven, die ze naarmate de voorstelling vorderde van zichzelf of anderen afrukten, afscheurden en afworpen.
De witte setting deed klinisch aan, alsof ze zich in de behandelkamer van een plastisch chirurg bevonden. Danser Jungyoon Kim (genomineerd voor een Zwaan voor de meest indrukwekkende dansprestatie 2026) draaide op huiveringwekkende wijze haar lichaam in elkaar. In Waxes leken menselijke figuren op gruwelijke wijze onderworpen aan de dwingende opvattingen over hoe een vrouwenlichaam idealiter moet zijn.
Toch waren de rondvliegende lichaamsdelen in Waxes niet alleen luguber, de vrouwen bevrijdden zich ook van het gangbare schoonheidsideaal. Het geschreeuw dat gepaard ging met dit vrijvechten klonk deels euforisch; de vrouwen leken hierna vrediger.
Co(te)lette (2007/2026) van choreograaf Ann Van den Broek, een krachtige herneming van haar geruchtmakende en met een Zwaan bekroonde choreografie uit 2007, deelde eenzelfde soort lichamelijkheid en euforie, wederom in een cleane ruimte met witte tl-verlichting. Deze obsessieve ode aan fysiek verlangen en seksuele bevrijding kreeg door urgente acties als ‘Wij eisen de nacht op’ nog meer lading. Drie danseressen zochten – en vonden – vrouwelijk genot, onder meer door zichzelf overal op het lichaam te meppen, als het mals maken van een lap vlees. Breek uit de verkokerde visies op vrouwelijke seksualiteit, onderstreepte Van den Broek met deze intens gedanste verdediging van het recht op zelfliefde.
Ook Dunja Jocić zocht in het verleidelijk naargeestige Afternoon of a Nymph (2025) naar vrouwelijk genot door zich af te zetten tegen de male gaze. Nimfen waren hier geen lustobjecten, maar bepaalden zelf wat ze met hun erotische energie wilden doen. Het draaide om hun verlangens, niet om die van mannen zoals in L’Après-midi d’un faune (1912) van Vaslav Nijinsky, waarop Jocić haar choreografie baseerde.
Het genot was echter niet eenzijdig euforisch, soms ook bezeten of zelfs sadistisch – de nimfen waren eveneens niet simpelweg mooi of onschuldig, maar hadden ook dierlijke en macabere trekken.
Deze voorstellingen toonden dat het monsterlijke ook kan transformeren tot iets moois of feministisch; waar The Substancevooral grimmig en afschrikwekkend is, biedt dans als antwoord een zekere bevrijding. Weg met die vernietigende schoonheidsnormen en het idee dat vrouwen beperkt zijn in hun fysieke verlangens.
Mens en monster
Het monsterlijke was afgelopen dansjaar niet alleen verbonden aan vrouwelijkheid, horror betrad ook in andere gedaanten het podium. Zo maakte choreografenduo Mats van Rossum (34) & Rebecca Laufer (31) met Saints (2026) door Club Guy & Roni Poetic Disasters Club een geweldig angstaanjagende voorstelling, die je het gevoel gaf in een behekst huis te zijn waar uit alle kieren en gaten enge wezens of geesten tevoorschijn kwamen. Zie je als mens maar staande te houden tussen alle monsters die uit de krochten van je eigen – getraumatiseerde – geest kruipen. Saints was een uitnodiging om het diepste donker in de bek te kijken en samen te leven met mentale ‘beesten’.
Maar het duister kan behalve uit individuele angsten, zoals in Saints ook voortkomen uit maatschappelijke vrees, zo bewees Cherish Menzo in het met de VSCD Mimeprijs bekroonde Frank (2025). Zij onderzocht in deze veelgeprezen voorstelling (met een Zwaan-nominatie voor danser Malick Cissé) hoe heersende beelden en ideeën over zwarte lichamen vaak verbonden zijn met het monsterlijke. Vier sinistere figuren bewogen op een unheimische soundscape door (wederom) een witte ruimte. Menzo liet zien: maatschappelijk zelfonderzoek moet ook gedreven zijn door het uitpluizen en deconstrueren van diepgewortelde denkbeelden die groepen mensen dehumaniseren.
Bad Nature (2025) van Club Guy & Roni en Delay the Sadness (2025) van Sharon Eyal richtten zich weer op een ander angstaanjagend facet van onze maatschappij: de vrees voor de ineenstorting van de wereld. De sfeer in beide voorstellingen was drukkend, dystopisch. Toch kleurde een zachte hoop de neergang tegen; in Delay the Sadness manifesteerde zich dat in een zekere levenslust bij de dansers, in Bad Nature bouwden ze een nieuwe samenleving op.
Mens en machine
Een andere fascinerende, science fiction-achtige dystopie manifesteerde zich in voorstellingen die een versmelting van mens en machine thematiseerden, al is dat toekomstige gehalte nog maar de vraag, gezien de opmars van AI. Tijdens het Rotterdamse kunstlocatieproject Double Helix (2026, Scapino Ballet Rotterdam) van choreograaf Nanine Linning (49) en ontwerper Bart Hess (42) leek de huid soms van lichamen te druipen. Spierbundels stonden op ontploffen. Tijdens The Error of Being (2026, NEXT, Conny Janssen Danst) van choreograaf Tú Hoàng (37) dansten vrouwen als robots. Het vijftal bewoog emotieloos in staccato loopjes, alsof ze op afstand werden gedwongen tot cybernetische patronen. Totdat er barstjes in hun perfectie kwamen en humane eigenschappen zoals empathisch contact zichtbaar werden.
De Zweeds-Nederlandse choreograaf Jefta van Dinther (46), woonachtig in Berlijn, bracht tijdens de opening van het O. Festival de grote zaal in Theater Rotterdam in verwarring met zijn bedwelmende Remachine (2026), een zwaarmoedig kwintet op een draaischijf over hoe de werkende mens verstrikt raakt in een hype machinale wereld. Muziekliefhebbers reageerden aarzelend op de a capella zang van vijf zingende dansers, dansfanaten enthousiast. Langzaam kringelden hun stemmen in het halfduister omhoog, met cryptische teksten over rusteloosheid, ouderdom, neerslachtigheid en uitholling door de tredmolen van geestdodende arbeid. De dansers golfden uit het lood hangend op zwaar schoeisel over een draaischijf. Ze klemden zich met werkhandschoenen vast aan de zijkant. Ze verdwenen in het donker om zich weer aan touwen tevoorschijn te trekken op een machinale soundscape. Mens en machine tot in eeuwigheid tot elkaar veroordeeld. Totdat de mens zelf een machine wordt.
Achtergrond en identiteit
Choreografen en dansers gebruiken hun fysieke kwaliteiten en culturele achtergrond steeds vaker als artistiek instrument om ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken. Makers van kleur daagden afgelopen seizoen heersende, Westerse perspectieven uit, de nadruk leggend op een gedeeld verleden, met Nederland als koloniale macht die veel invloed heeft uitgeoefend op volkeren over de hele wereld.
Zo richtten de eerdergenoemde Cherish Menzo (38) in Frank en Lloydscompany in Kabiteni (2025) zich op Suriname. Choreograaf Lloyd Marengo (53) belichtte de geschiedenis van de marrongemeenschap, met de uitgesproken boodschap om hun verzet tegen de koloniale overheersing te herinneren. Het leverde danser Ciara Hiwat een nominatie op voor de Jonge Zwaan voor meest indrukwekkende jeugddansprestatie. Menzo onderzocht de blik op zwarte lichamen in een ruimte die verwees naar de Baka Gorong, een geheime ontmoetingsplaats voor tot slaaf gemaakten in Suriname, die daar verboden Winti-rituelen uitvoeren.
Cheroney Pelupessy (36) bracht de kijker naar de andere kant van de wereld: het dubbelportret Mama’ku (2026) was een liefdevol onderzoek naar moeder-dochter-relaties binnen de Indonesische en Molukse cultuur en intergenerationele trauma’s, mede gevormd door koloniale overheersing. De documentaire Mama’ku - Van Jakarta tot de Molukken (2025), waarin regisseur Sven Peetoom Cheroney en haar moeder Laura volgt tijdens hun reis naar Jakarta, won recent het Gouden Kalf van het Publiek 2026; met 24.000 bezoekers was het de best bezochte documentaire van het seizoen. Ook dat bewijst hoezeer culturele identiteit momenteel een van de meest urgente thema’s is binnen de Nederlandse danswereld.
Room in Our House (2026) verplaatste het publiek naar een ander continent: Noord-Amerika. Samen met co-regisseur Michelle Schenandoah greep Nicole Beutler (57) terug op een mondeling vriendschapsverdrag dat Nederlanders begin zeventiende eeuw sloten met de Haudenosaunee, de oorspronkelijke bewoners van een deel van Turtle Island.
De twee mannen in de voorstelling waren verbonden via een complexe, koloniale geschiedenis. Een van hen stamt af van de Haudenosaunnee, de ander van de Nederlandse onderdrukkers. In de bedachtzame voorstelling leidde hun dans tot een vredesmanifestatie, een welkome boodschap in deze tijden van oorlog.
Wat opviel in bovengenoemde voorstellingen: er werd over het algemeen weinig aan de verbeelding overgelaten en er waren veel expliciete oproepen te zien en te horen om geschiedenissen niet te vergeten en naar vrede te streven.
In andere voorstellingen van makers van kleur lag afgelopen seizoen de nadruk vooral op de gedeelde ervaring van het migreren: een levensgebeurtenis die niet alleen een fysieke verplaatsing is, maar ook een emotionele. De energieke choreograaf Mohamed Yusuf Boss (39), die met zijn hiphopgezelschap net is neergestreken in de klassieke behuizing van Petit Théâtre in Groningen, verkende in Xanuun (2026) samen met vijf dansers de pijn en de hoop die migratie met zich meebrengt en die zich in een mensenlichaam manifesteren. De performers, elk met een andere culturele achtergrond, bewogen zich in kleine hokken die kooien van pijn, verlangen, liefde en trauma verbeeldden.
In A Story of Displacement (2025), een krachtig emotioneel werk van Panama Pictures, zochten de performers naar een veilig heenkomen, maar stuitten overal op instabiliteit: de oppervlakken waarop ze zich bewogen waren schuin en wankel. Choreograaf Pia Meuthen (54) liet veel aan de verbeelding over en koos daarmee voor een zachte vorm van activisme. A Story of Displacement werd een poëtische reflectie op hoe het voelt een migrant te zijn, gevaren trotserend in de zoektocht naar een veiliger thuis.
Met hybride dansstijlen belichamen makers trauma’s, migratieverhalen en culturele rituelen. Zo vindt er gestaag een steeds sterkere verschuiving plaats naar een meer inclusieve, bredere en gemêleerde danskunst op het theaterpodium.
Erfgoed en herinterpretatie
Ook het klassieke balletrepertoire wordt vaker tegen het licht gehouden. Betrokkenen bevragen de ingebakken hiërarchieën en/of koloniale structuren. Hoe elastisch blijkt het klassieke repertoire wanneer de tijdgeest eraan trekt? Die vraag werd urgent toen een klassiek georiënteerd gezelschap als Het Nationale Ballet (HNB) besloot tot een metamorfose van het negentiende-eeuws balletmonument La Bayadère (1877). Lange tijd gold Marius Petipa’s meesterwerk als een onaanraakbaar esthetisch baken, beroemd om de hypnotiserende, serene afdaling van danseressen in tutu’s tijdens het Koninkrijk der Schimmen. Decennialang hebben balletliefhebbers zich vergaapt aan de westerse toe-eigening van de Indiase cultuur, door choreograaf Marius Petipa (1818-1910) verbeeld met oriëntaalse blik op ‘krijgers, fakirs en tempeldanseressen’.
Maar de Fransman werkte met stereotypen die inmiddels door velen als pijnlijk worden ervaren. De oriëntaalse blik op een geromantiseerd India in de eerste acte roept weerstand op, vooral door overdreven imitaties van Indiaas ogende mimiek en motoriek én de veronachtzaming van de religieuze traditie en sociaal-maatschappelijke context rond tempeldans. De karikaturale, oriëntaalse clichés en de koloniale blik die in het DNA van het stuk verweven zitten, eisen een nieuw antwoord.
Daarom besloot Het Nationale Ballet tot een moedige metamorfose. Na jaren van overleg en discussie ging in maart de gedekoloniseerde versie van La Bayadère (2026) in première. Zonder fabels, fakirs en vuur. Met feiten, bestaande personages, handel en corruptie als inspiratiebron.
Afzwaaiend artistiek adjunct-directeur Rachel Beaujean (67) tekende met Ted Brandsen (67), de eveneens afzwaaiende artistiek directeur, voor een gedekoloniseerde herinterpretatie. Aan dit nieuwe concept schaafden ze in nauw overleg met de Nederlands-Indiase choreografe en cultureel antropologe Kalpana Raghuraman (51) en de Australisch-Indiase danshistoricus, danser en choreograaf Priya Srinivasan. Het resultaat was een fraai gedanste, oprechte, gevoelige en complexe herinterpretatie, zonder Indiase stereotypen maar met op de VOC-tijd geënte personages, al had je wel het programmaboekje nodig om die nieuwe perspectieven op historische gebeurtenissen te begrijpen.
Een zorgvuldige omgang met erfgoed hoeft dus niet louter passieve bewaarzucht te zijn, maar kan zich ontpoppen als artistiek relevante daad van actieve reanimatie, waarin rekenschap wordt gegeven van pijnpunten, mits de danswereld de geschiedenis met een scherpe, open blik in de ogen durft te kijken.
Andere voorbeelden uit afgelopen seizoen van een herneming van sterke concepten uit het erfgoed van de dans was de hernieuwde kennismaking met de zachte zinsbegoocheling in het duet Dubbelspoor (1986/2025), veertig jaar geleden bedacht door danser en choreograaf Beppie Blankert (77) en gedanst door haar en Caroline Dokter (69) op het speciaal gecomponeerde muziekstuk van componist Louis Andriessen (1939-2021). Nu de ouder geworden lichamen de weerspiegeling dansten van een interne dialoog over de angst jezelf te verliezen of onvoldoende uit het leven te halen, kregen die thema’s een nieuwe lading.
Ook Monument voor een gestorven jongen (1965) van choreograaf Rudi van Dantzig (1933-2012) werd door HNB hernomen met een spannende nieuwe energie. Met dit verhalende, activistische ballet over de schuldgevoelens van een jonge homo binnen een repressieve omgeving droeg Van Dantzig internationaal bij aan de emancipatie van gays. Een thema dat opnieuw relevant is. En met de herneming van 7e Symfonie (1986) van Toer van Schayk (90) liet HNB zien hoe je binnen een optimistisch ballet subtiel ruimte kunt maken voor commentaar op dominante heteronormen. Tussen wervelende man-vrouwduetten zat een indringend moment van verstilling waarin eerste solist Young Gyu Choi zich zoekend richtte tot collega’s van hetzelfde geslacht. Als toeschouwer merkte je aan de lading van de motoriek, zonder expliciete boodschap, hoe een dwingende, normatieve en conservatieve omgeving een mens onnodig kan laten worstelen.
Thema’s rond gender waren ook regelmatig een emancipatoir onderwerp van dansvoorstellingen van jonge makers - vaak in interdisciplinaire voorstellingen - en staan ook komend seizoen duidelijk op de agenda. Een actueel onderwerp dat speelt in de hele podiumkunsten. De zichtbaarheid van genderqueerpersonages is gelukkig sterk toegenomen, in ieder geval op het podium; daarbij vormt het theater nog steeds een cruciale plek om sociale constructies en uitsluitingsmechanismen rond gender en identiteit open te bevragen, uit te dagen of uit te vergroten, daar waar dat buiten de theatermuren vaak veel minder veilig kan.
Normatief en inclusief
Wanneer een Nederlands gezelschap - Introdans - met een inclusieve groep dansers de Nederlandse Nationale Dag op de vijfjaarlijkse World Expo in Osaka mag openen, is dit met recht een opsteker voor het inclusief denken in de podiumkunsten (en daarbuiten). Adriaan Luteijn (62), al ruim een kwart eeuw kartrekker van interactieve ontmoetingen en inclusieve projecten bij Introdans, kreeg in samenwerking met een kleinschalig Japans festival voor inclusieve podiumkunsten, de handen op elkaar voor de wereldpremière van Unum (2025) tijdens de Wereldtentoonstelling in Japan. Hij werkte met performers met uiteenlopende fysieke mogelijkheden zoals (rolstoel)dansers met spina bifida, scoliose en korte benen. Waar in Japan een inclusieve cast nog steeds onder zorg, hulp en welzijn wordt geschaard, is dat in Nederland inmiddels veranderd: makers hebben inmiddels afgedwongen dat deze inclusieve voorstellingen ook als artistieke projecten worden gezien.
Makers als Jordy Dik (32), Sharon Wesseling (32), Joop Oonk (37) en Remy Tilburg (37) droegen afgelopen seizoen ook hun steentje bij aan de positieve beeldvorming rond een inclusieve cast, in de toch nog steeds sterk normatieve danswereld. Dik haalde met zijn ‘radicaal menselijke’ Compagnie Tiuri tijdens het Holland Dance Festival (dat inclusiviteit al langer op de agenda zet) vijf sterren voor zijn indrukwekkende vrouwenkwartet Please Hold My Hand over (intieme en mentale) terreur tegen vrouwen. Zonder de heftigheid uit de weg te gaan wist dit expressieve, emotionele danstheater in de geest van wijlen Pina Bausch voorbij de vrees te denken en hoop te geven.
In het lijvige, fraai geïllustreerde koffietafelboek ‘Dwarse Dansers - Hedendaagse dans in Brabant’ (2026, uitgeverij Pictures Publishers) van Joost Goutziers, dat na jaren van intensieve research afgelopen seizoen verscheen, wordt Tiuri ook geroemd als vrijplaats voor iedereen die wil dansen. Goutziers duikt diep in de geschiedenis van de danskunst in Brabant, door makers, dansers en choreografen uitvoerig in beeld en tekst te portretteren; ook dit boek is een belangrijke bijdrage aan de vastlegging van het erfgoed van de dans.
Opvallend veel voorstellingen, zoals van de eerdergenoemde Jefta van Dinther, gebruikten gebarentalen als inspiratiebron om los van de woordelijke betekenis een nieuwe lading te geven aan dansmotoriek. Ook hierbij werd gewerkt met een inclusieve cast van dove, slechthorende en horende dansers. En in het Larbi-programma van Introdans maakte choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui een speciaal nieuw duet voor Marc Brew (een danser met beenverlamming door een verkeersongeluk) en Nelson Parrish Earl. Dit speelse Residence (2026) toonde hoe beiden motorisch volledig op elkaar konden bouwen en vertrouwen.
Al deze makers dragen bij aan het vergroten van de zichtbaarheid van performers met verschillende mentale en fysieke kwaliteiten, ze proberen drempels weg te nemen en in mogelijkheden te denken in plaats van vooroordelen.
Dans en activisme
Het dansmoment van vorig seizoen was natuurlijk het overlijden half december van Nederlands beroemdste choreograaf: Hans van Manen (1932-2025). Over zijn immense betekenis voor de Nederlandse danskunst is veel geschreven, gezegd en gedocumenteerd. Laten we daarbij niet vergeten dat hij niet alleen wereldwijd een actieve ambassadeur was voor de dans, maar ook een goedgebekte activist, die met onvergetelijke quotes ook mensen bij kunst betrok, die niet ingewijd waren in ballet of moderne dans. Voor het levend houden van zijn onschatbare nalatenschap wordt gelukkig goed gezorgd. Hopelijk stapt iemand naar voren die net zo onverschrokken, geestig en ondeugend het belang van de danskunst in het publieke debat weet te onderstrepen, of het nu gaat om het emancipatoire, activistische, vooruitstrevende belang, of het artistieke, erotische en esthetische belang.
Laten we vrolijk eindigen. Vorig jaar kwam er veel bijval op het statement in de Staat van de Dans 2025, dat het danspodium te weinig werd gebruikt voor een vorm van protest, tegen bijvoorbeeld politieke of klimaatcatastrofes of de uitholling van democratie en rechtsstaat.
Nu, met noodtoestanden die permanenter blijken dan gehoopt, lijkt het activisme in de dans gelukkig terug. In ieder geval bleek de dansvloer een vruchtbare arena voor maatschappelijke reflectie en vooral voor collectieve actie, bijvoorbeeld uitdagend en beklijvend gemanifesteerd tijdens ARK’s Asset, Liability & Equity.
Tegenover de dystopie stond het optimisme, tegenover de (body)horror stond social dancing, als positieve, collectieve daad van (helend) verzet, als fysiek bindende factor in een gefragmenteerde en gepolariseerde maatschappij. In een wereld vol vrees biedt dans toch nog steeds een hoopvol antwoord. Dans als tegenwicht voor doemscenario's: het werkt. Omdat dans het levende bewijs is dat we niet breken zolang we bewegen. Dus, hoe guurder het klimaat, hoe vuriger het fysieke verzet. Dat moet een vlammend nieuw seizoen worden.

Beeld door: Herman van Bostelen
In De Criticitafel van oktober 2025 – de maandelijkse podcast van Theaterkrant - bespreekt Annette Embrechts o.l.v. presentator Hans Smit haar Staat van de Dans met collega-critici Mina Etemad en Fritz de Jong.